Annie Romein-Verschoor

Hatert 4 februari 1895 - Amsterdam 5 februari 1978

Annie Verschoor werd in 1895 te Hatert, nu een wijk van Nijmegen, geboren. Haar vader werkte daar bij de Koninklijke Marine bij een technisch onderdeel en was enkele jaren leraar aan de machinistenschool in Hellevoetsluis (1900-1905). In het gezin van onderofficier Verschoor werd veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van de kinderen. Nog in Nieuw-Helvoet kwam er een piano in huis en kreeg Annie, ongeveer negen jaar oud, haar eerste lessen Frans. Terug in Den Helder, toen haar vader inmiddels officier was geworden, kreeg zij haar eerste vioollessen. Annie Romein was dus afkomstig uit een in beginsel kleinburgerlijk milieu. De ambities van het gezin, vooral die van haar moeder, reikten echter verder. Bij haar moeder leidde dit tot een pijnlijk precies standsbewustzijn dat Annie reeds in haar vroege jeugd moeilijk kon verdragen. Deze statusbetrokkenheid van het gezin Verschoor zal ongetwijfeld zijn aangewakkerd door de gestadige bevorderingen van de vader die ten slotte de rang van schout-bij-nacht bereikte.

Toen de Verschoors zich voor enkele jaren in Soerabaja vestigden, waar de vader bij de marinebasis werd gestationeerd, werden de problemen van de sociale hiërarchie, in de toenmalige koloniale maatschappij, er niet minder op. Afkeer van dit soort hiërarchie, de behoefte om steeds weer de scheidslijnen die haar werden bijgebracht te doorbreken, zou een belangrijk thema in haar leven worden. Het lijkt erop dat deze afschuw van de hiërarchische dwangvoorstellingen van haar moeder haar reeds op vroege leeftijd in een positie van isolement bracht die haar waarschijnlijk uiterst gevoelig maakte voor de natuur. Haar leven lang bleef zij dan ook gebonden aan de plekken waar zij haar eerste natuurindrukken opdeed: het polderlandschap bij Nieuw-Helvoet en het kustlandschap met zijn bossen en duinen ten zuiden van Den Helder.Zij zou daar vaak terugkeren, later met Jan Romein met wie zij in Groet ten slotte een buitenhuis liet bouwen.

Van haar twaalfde tot haar zestiende jaar volgde Annie Verschoor de HBS in Soerabaja en daar verscheen ook haar eerste publikatie: een verhaal in de Soerabaja Courant. Toen zij eindexamen deed (1912) was het gezin inmiddels al weer in Den Helder teruggekeerd. Na het staatsexamen Grieks en Latijn liet zij zich te Leiden inschrijven voor de studie Nederlandse letteren en geschiedenis (1914). Door het standsbesef van haar moeder gedreven werd zij daar ten slotte ook lid van de VVSL (1915). De hoogleraren, inclusief Huizinga en de linguist Uhlenbeck, bleven voor haar ongenaakbare figuren, met uitzondering van de slavist Van Wijk die veel minder hiërarchisch met zijn studenten omging. Zij ontmoette er Jan Romein met wie zij in 1917 ging samenwonen, een levensstijl die zowel door haar ouders als door sommige hoogleraren weinig werd gewaardeerd; in 1920 trouwde zij. Dit huwelijk, met deze enigszins buitenissige 'bolsjewist' die de Russische revolutie in Leiden importeerde, betekende eigenlijk de definitieve breuk met de kleinburgerlijkheid van haar ouderlijk huis. Jan en Annie Romein streefden al vroeg naar een maatschappijvorm zonder hiërarchische diskwalificaties en discriminaties en sloten zich aan bij de communistische partij. Zij kwamen in aanraking met alle communisten van het eerste uur, onder wie Hoogcarspel, Van Ravesteyn, Wijnkoop, Gerard van het Reve.

Na Annies doctoraal examen (1921) woonden zij korte tijd in Rotterdam, maar al gauw vestigden zij zich definitief in Amsterdam, waar Jan Romein zich vele jaren inzette voor de Tribune. Zij bleken echter ten slotte te ketters voor de partijdiscipline van deze Hollandse communistische partij en in 1927 volgde de breuk. Inmiddels waren er in het gezin Romein drie kinderen geboren. Geleidelijk aan kreeg Annie Romein wat meer tijd voor ander dan huishoudelijk werk. Zij publiceerde een kinderboek, Aan den Oedjoeng (1928). In hetzelfde jaar werd een begin gemaakt met de eerste grote taak waaraan Jan en Annie Romein samenwerkten: de vertaling en bewerking van Harmsworths Illustrated history of the world in acht delen en was Annie Romein bovendien begonnen met het bespreken van romans voor Het Algemeen Handelsblad. Andere nauwe vormen van samenwerking vonden zij in de dertiger jaren toen zij De lage landen bij de zee (1934) schreven en De erflaters van onze beschaving (1938).

Inmiddels was Annie Romein-Verschoor in 1935 te Leiden bij Albert Verwey gepromoveerd op het proefschrift De Nederlandsche romanschrijfster: ster na 1880, dat werd herdrukt onder de titel Vrouwenspiegel en door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde werd bekroond met de Dr. Wijnaendts Francken-prijs. Annie Romein staat weliswaar terecht te boek als historica maar zowel haar boekbesprekingen als haar dissertatie wijzen erop dat haar belangstelling in sterke mate naar de literatuur uitging. De door haar geschreven hoofdstukken in De erflaters van onze beschaving betreffen vaak literaire figuren, haar latere studie over Hugo de Groot, Vaderland in de verte (1948) werd een historische roman, haar essays waren vaak essays over literatuur. En haar grote bewondering ging uit naar een schrijfster, naar Carry van Bruggen. Hoewel ook Jan Romein de literatuur niet vreemd was, heeft zijn definitieve gerichtheid op politieke en sociale geschiedenis de intellectuele koers van Annie Romein waarschijnlijk sterk beïnvloed. De hechtheid van hun wetenschappelijke samenwerking was vaak zo groot dat het soms moeilijk is om over Annie Romein te schrijven zonder Jan Romein erbij te betrekken.


Jan en Annie Romein waren beiden geschiedschrijvers, maar zij waren tevens gewoon schrijvers, in die zin dat zij geen behoefte hadden aan een voor leken ontoegankelijke vakliteratuur, maar streefden naar een soort synthetiserende, populariserende geschiedschrijving. Dat betekende overigens niet dat zij concessies deden aan de publieke ongeletterdheid, maar dat zij huiverig waren voor dat soort overspecialisering dat historisch onderzoek alleen maar genietbaar maakt voor historici. In de bijt van de Nederlandse historici waren zij dan ook min of meer vreemde eenden die heel wat kritiek van vakgenoten te verduren hebben gehad. Zij waren geen echte bronnenvorsers, maar samenvatters, essayisten, kortom een minder soort geleerden volgens velen uit het vak. Maar in hun synthesen waren zij steeds origineel, in hun essays waagden zij vaak ongebruikelijke gezichtspunten. Deze onafhankelijkheid die niet terugweek voor benard-academische kritiek noch voor politieke verkettering, is eigenlijk het centrale gegeven van hun beider leven. Het was deze merkwaardige onverzettelijkheid die gemakkelijk op eigengereidheid kon lijken, en die dat zo nu en dan misschien ook wel was, die in tal van hun beslissingen en standpunten is terug te vinden en die conflicten heeft veroorzaakt die nogal eens eindigden in een breuk, zoals die met de communistische partij. Die vaak ondogmatische onafhankelijkheid maakte ook dat zij, ondanks hun internationalistisch marxisme in staat waren om boeken als De erflaters van onze beschaving en De lage landen bij de zee mede een bijna patriottisch karakter te geven. En naast hun marxisme heeft de tolerantie van een liberaal humanisme nooit helemaal ontbroken. Evenmin als daadwerkelijk politiek engagement, toen zij vlak voor de oorlog een belangrijke rol speelden in het Comité van Waakzaamheid tegen het fascisme. Ook Annie Romeins wekelijks optreden, in de jaren na de oorlog, in het VARA-forum Radio-lympus evenals haar bijdragen aan De Vrije Katheder getuigden van dit engagement. Die onafhankelijkheid betekende dat zij vaak meer dan hun vakgenoten open stonden voor nieuwe mogelijkheden en standpunten.Annie Romein had met haar dissertatie een ongebruikelijk soort, sociologisch georiënteerde, literatuurgeschiedenis geïntroduceerd en na de oorlog schokte Jan Romein het wereldje van de Nederlandse historici met een hier te lande nieuw, overkoepelend specialisme: de theoretische geschiedenis.

Onafhankelijk was ook hun positie kiezen tijdens de koude oorlog, toen zij, zowel de NAVO als de Sovjetmacht afwijzend, pleitten voor een derde weg, waarvan De Nieuwe Stem de weinig populaire spreekbuis werd, een vermetelheid waarvoor zij gestraft werden met verdachtmakingen en isolement. Jan Romein werd een visum geweigerd voor de Verenigde Staten, waar hij was uitgenodigd om colleges te geven over theoretische geschiedenis en na de Hongaarse opstand (1956) werden zowel Jan als Annie Romein door velen als 'fellow travellers' helemaal gemeden. Ook na 1960, ik werkte toen aan mijn dissertatie, was het nog zo dat als je vertelde dat je een promovendus was van Jan Romein, je ook door overigens toch ruimdenkende mensen met een zeker wantrouwen werd bekeken en men duidelijk liet doorschemeren dat je in ieder geval een grote domheid had begaan.

Na de dood van Jan Romein (1962) begon voor Annie Romein een levensfase waarin zij meer kon toegeven aan haar eigen aard en voorkeuren. Zij vond eigenlijk dat Jan zijn leven lang te hard had gewerkt en dat ze bijna ongemerkt in zijn levenstempo was meegesleept. Toch zou zij nog vier jaar bezig zijn met de voltooiing van Jan Romeins laatste en grootste boek: Op het breukvlak van twee eeuwen (1967). zij woonde toen nog aan de Achterweg in Groet, maar zij was daar nooit lang alleen: kinderen, kleinkinderen, vrienden en oud-leerlingen van haar man kwamen misschien zelfs vaker dan voorheen. Bovendien was zij niet zelden onderweg met haar auto waarmee zij overigens levensgevaarlijke dingen deed.

In de laatste tien jaar van haar leven, na de voltooiing van Breukvlak, waren er twee onderwerpen die haar steeds bezighielden: de positie van de vrouw en het lot van oude mensen. Na een auto-ongeluk nam zij haar intrek in het Rosa Spierhuis in Laren (1969) waar zij een klein appartement had met uitzicht op tuin en vijver. Daar, tussen veel andere oude mensen, besefte zij misschien scherper dan vroeger de tweederangs positie en het maatschappelijk isolement van mensen die een leeftijd hebben bereikt waarop zij geacht worden niet 'nuttig' meer te zijn. Wellicht mede om aan dit aspect, deze doem van het oud zijn te ontkomen, bleef zij steeds bezig, was zij misschien drukker bezig dan met haar enigszins langzame aard te rijmen viel. Zij schreef er veel artikelen voor Vrij Nederland en De Groene, later voor Opzij en Op Leeftijd. Daar schreef zij ook haar memoires, Omzien in verwondering (1970-1971). Behalve haar activiteit behield zij ook haar non-conformisme, waardoor zij nooit in de verleiding kwam haar kritische terughoudendheid prijs te geven. Dit non-conformisme was ook kenmerkend voor Annie Romeins opvattingen over vrouwenemancipatie. Zij besefte maar al te goed dat de positie van de vrouw tot het erfgoed behoort van een cultuur en dat je die positie met van de ene op de andere dag drastisch kunt veranderen. Tijdens haar verblijf in Indonesië (1952) waar Jan Romein een halfjaar college gaf aan de Universiteit van Djokja, zag zij hoeveel groter de verantwoordelijkheid en het zelfvertrouwen was van gewone Javaanse vrouwen dan die van vrouwen in West-Europa. En zij overwoog hoeveel gemakkelijker het voor een Javaanse vrouw zou zijn om, met die achtergrond, een eigen rol buiten het gezinsleven te gaan spelen dan voor Westeuropese vrouwen. Dit besef van historische continuïteit maakte ook dat zij zich enigszins distantieerde van dat opkomend collectivistisch feminisme dat van vrouwenseparatisme de finale genezing verwacht van tal van vrouwenkwalen. Wat overigens niet heeft kunnen verhinderen dat zij in de zeventiger jaren ten slotte het idool werd van juist deze utopisten. Annie Romeins inzet voor de bevrijding van de vrouw uit het achterhuis hield steeds rekening met wat mogelijk was. In haar realisme was zij echter even onverzettelijk als geduldig. Zij heeft mij eens meegenomen naar een lezing die zij hield voor de Bond van Plattelandsvrouwen in de Hoekse Waard. Ik moest dat allemaal maar eens horen en zien, vond zij. Met haar altijd zachte stem begon zij daar langzaam en indringend uit te leggen waarom een vrouw, ook een vrouw met een gezin, niet tot huis-arrest gedoemd behoeft te zijn. Het was 1964 en haar publiek was in dit opzicht niet erg gelovig. Zij noemde toen zichzelf met haar vele voordrachten en publikaties als voorbeeld. 'Maar ú had geen kinderen', riep er toen iemand. Waarop Annie heel even glimlachend zei: 'ik heb er drie.' Wat zo opviel bij die voordracht was naast haar onverzettelijkheid, haar bescheidenheid. Toch was zij niet alleen maar bescheiden. Evenmin was zij altijd redelijk en haar werkelijkheidszin liet haar ook wel eens in de steek. Zij kon ook in hoge mate onverzoenlijk zijn, zelfs wraakzuchtig als zij,kwetsbaar als zij was, het gevoel had dat er iets van verraad in de lucht zat.Want zij was niet alleen erg trouw aan oude loyaliteiten maar niet minder aan oude vijandschappen. Zo kon zij bij voorbeeld ondanks de later bekend geworden Russische gruwelen, over Stalin eigenlijk geen kwaad woord horen. Aan de andere kant kon zij het kapitalisme, door haar in Ja vader, nee vader (1974) 'Big Brother' gedoopt, eigenlijk nauwelijks anders zien dan als een perfide samenzwering.

Ook in haar memoires is naast veel humor en aanvaarding ook een grote dosis onversneden strijdbaarheid aan te treffen. Het verzet tegen de sociale hiërarchie dat haar als kind naar de natuur dreef en haar later partij zou doen kiezen voor een ongebonden marxisme, deze levenslange revolte was niet zonder bitterheid. In die sociale hiërachie die zij verafschuwde, nam zij ten slotte een hoge plaats in. Was het daarom dat zij, ten slotte vrijwel algemeen gerespecteerd als 'grand old lady', zoveel bescheidenheid tentoonspreidde? Noemde zij zich mede daarom wel een 'meisje voor halve dagen'? Zij hield eigenlijk het meest van mensen die zich nooit hadden beijverd, noch als heer noch als knecht, om de strijd om macht, geld en aanzien mee te spelen. Zij had het moeilijk met een carrière-maatschappij die haar afstootte en waarin zij het, als kind van kleinburgerlijke ouders, toch rijkelijk ver had gebracht. Zij was even bitter tegen die maatschappij als mild jegens diegenen die de indruk maakten aan die carrière-jacht niet of nauwelijks mee te doen. Het is deze selectieve mildheid van Annie Romein die tot mijn beste herinneringen behoort. Deze warmte richtte zich behalve op die weinigen die aan haar normen voldeden ook altijd weer op de natuur, op landschappen zonder mensen en dan vooral op die bossen, duinen en polders waarbij zij was opgegroeid. En hoewel zij nooit wegvluchtte voor conflicten en problemen, vond zij daar waarschijnlijk, dichtbij de zee, iets van die bevrijding die zij in al haar geschriften heeft nagestreefd.

tekst ontleend aan J.W. Oerlemans, Maatschappij der Nederlandse letterkunde

Laatst Gewijzigd: 13-07-2009